Werkplaats ‘gewoon’ een werkvorm?

Veiligheid
22/01/2017
Omgevingwet: de betekenis voor raadsleden
29/01/2017
Show all

Werkplaats ‘gewoon’ een werkvorm?

Ik heb het de laatste maanden een paar keer gehoord: “Een Werkplaats is toch gewoon een werkvorm?” Ja, dat is zo. Er zijn vele werkvormen, zoals brainstorms, workshops, vergaderingen, symposia en seminars. Daarbinnen zijn weer vele technieken zoals de presentatie, het werken in subgroepen of het clusteren van gele briefjes. In alle gevallen delen mensen kennis en gaan ze met elkaar aan de slag. Zo bekeken is de Werkplaats dus ‘slechts’ een werkvorm, één van de vele. Toch ervaar ik het als een schok als ik het iemand hoor zeggen, vooral vanwege het woord ‘gewoon’. Een Werkplaats is namelijk geen doel op zich. We hebben deze ontwikkeld naar aanleiding van een viertal dringende aanleidingen. Vanaf november 2003 hebben we intensief onderzoek gedaan de betekenis van ervaringskennis voor het waterbeheer. Wat we toen hebben geconstateerd heeft geresulteerd in concepten voor werkplaatsachtig werken.

Vier constateringen

De aanleidingen zijn:

  1. Het vraagstuk rond oudere werknemers. Deze heeft twee gezichten. Het eerste is verwoord door de secretaris-directeur van een waterschap: “Ik krijg buikpijn als ik me realiseer wie onze organisatie de komende jaren gaan verlaten.” Veel waardevolle ervaringskennis gaat verloren. Op het moment dat het in de praktijk spannend wordt, bijvoorbeeld als het rivierwater tot aan de kruin van de dijk stijgt, maken ervaren medewerkers het verschil. Daarbij is er tegelijkertijd een besef aanwezig dat ze erg dominant kunnen zijn en daarmee jongere collega’s teveel uit de wind houden en innovaties blokkeren. Het tweede gezicht is vrijwel de contramal, door iemand verwoord als “het vraagstuk van de uit het raam starende grijze mannen.” Veel zeer ervaren medewerkers worden opgescheept met onbenullige klusjes en zien dat hun ervaringskennis niet wordt gewaardeerd. Ze worden links en rechts ingehaald door enthousiaste en ambitieuze jonge honden. Ze dragen hun ervaringskennis niet aan hen over.
  2. Het afkalven van vakmanschap. De kortste manier om dit te verwoorden is: “we weten steeds meer, maar begrijpen steeds minder.” Deze constatering is diep geworteld in de manier waarop we het niveau van onderwijs aan het uithollen zijn, kennis steeds meer indelen in deskundigheidsgebieden (zie ook de blog over VTH), mensen ondergeschikt wordt gemaakt aan regels en protocollen en veel macht wordt toegekend aan inkoopafdelingen. Beelden over kennis zijn vaak te beperkt. Gevolg is dat we ons steeds meer verlaten op modellen van de werkelijkheid. We krijgen steeds minder gevoel voor realiteit. Dat resulteert onvermijdelijk in kwaliteitsverlies. En geldverspilling.
  3. Het Sferenvraagstuk. Een Sfeer definiëren we als een groep van mensen die onderling ervaringskennis delen en elkaar verhalen vertellen. Binnen een Sfeer stroomt ervaringskennis, tussen de Sferen niet of nauwelijks. Het plaatje bij deze blog toont de Sferen die we hebben aantroffen bij waterschappen en Rijkswaterstaat. Ze zijn ook herkenbaar bij gemeenten, kennisinstituten, provincies en bedrijven, zo weten we nu. Gevolg is dat mensen uit verschillende Sferen elkaar steeds minder verstaan en sommige Sferen worden gemarginaliseerd. Zo bereikt de kennis van medewerkers in het veld – door ons geduid als de Verwortelde Sfeer – nauwelijks het hoofdkantoor. En – zeer bijzonder – ook de Bestuurlijke en Politieke Sfeer wordt vaak gemarginaliseerd. We spreken dan over het “u mag tekenen bij het kruisje” verschijnsel. Keuzes en consequenties zijn zo diepgaand onderzocht door medewerkers dat bestuurders en politici alleen kunnen kiezen tussen “ja” en “ja graag.”
  4. De verlamming door ingewikkeldheid. Dit is het hoofdthema op deze website: “Het is complex, maar we maken het ingewikkeld.” Gijsbert van der Heijden schrijft binnenkort een blog om het begrip ingewikkeldheid nader te duiden. In grote lijnen komt het hierop neer: om ons werk te doen moeten we steeds meer complexiteit toelaten. Bijvoorbeeld: voorheen bleef de rioleringsdeskundige ‘ondergronds.’ Echter, om regenwater uit het stelsel te weren moet hij of zij zich mengen in processen op en boven het maaiveld. Ander voorbeeld: waterkwaliteit was voorheen vooral een kwestie van het aanpakken van puntbronnen. Nu gaat het steeds meer om diffuse bronnen en dan ontmoet je omvangrijk netwerk van actoren, allen met eigen belangen en opvattingen. Ook: de bodemwereld heeft zich vanaf de jaren ’80 vooral gericht op de aanpak van verontreinigingen. Het speelveld heeft zich enorm verbreed. Het gaat nu over energie, aardbevingen, (stads)landbouw, gezond voedsel, bodemdaling, de circulaire economie en nog veel meer. De complexiteit neemt toe. Wat we waarnemen is het volgende: er komen steeds meer systemen, technieken, protocollen en handboeken waarmee we de indruk wekken deze complexiteit te temmen en beheersen. Echter, bij elkaar opgeteld resulteren deze in zoveel ingewikkeldheid dat we erin verstrikt raken en een deel van ons werkplezier verliezen.

Wij vinden deze vier constateringen zorgwekkend. Ze hangen ook met elkaar samen. De rode draad is dat we voor het goed omgaan met complexiteit ervaringskennis moeten waarderen. Het is gewenst dat deze stroomt tussen ervaren en onervaren, tussen verschillende disciplines en tussen de verschillende Sferen. Complexiteit en ingewikkeldheid zijn communicerende vaten. Hoe meer je de complexiteit onderdrukt, hoe ingewikkelder het wordt. Je hoort politici – en ook ambtenaren en burgers – regelmatig roepen: “Het moet minder ingewikkeld. Er moeten minder regels komen.” Dat blijkt lastig te zijn. Ook de Omgevingswet zet in op meer eenvoud, meer afstemming, dus minder versnippering en ingewikkeldheid. Ik vind dat geweldig. Daar is echt behoefte aan. Echter, nu merk je dat de introductie ervan steeds wordt uitgesteld. Als je minder ingewikkeldheid nastreeft, zul je ons vermogen om te gaan met complexiteit moeten vergroten. Dat is de context voor Werkplaatsen.

Werkplaatsen of werkplaatsachtig werken

Stel, we pakken complexe vraagstukken steeds meer aan met Werkplaatsen, of we nemen elementen ervan mee. In het laatste geval spreken we over werkplaatsachtig werken. Er ontstaan dan instituties die we kunnen benoemen als Gilden 2.0. De vraag is: hebben we dan een aanpak waarbij geconstateerde problemen minder worden? Mijn antwoord is volmondig: ja! We hebben nu voldoende ervaring opgedaan met Werkplaatsen en werkplaatsachtig werken dat we de vraag bevestigend kunnen beantwoorden.

  1. In Werkplaatsen kunnen oudere medewerkers hun verhaal kwijt, onder andere omdat er narratief wordt gewerkt. Hun ervaringskennis landt. Voor organisaties biedt dit een interessant perspectief. Om ruimte te maken voor jonge medewerkers – en trainees niet botweg na twee jaar aan de kant te zetten – zouden ervaren medewerkers bijvoorbeeld twee dagen in de week kunnen gaan werken, desnoods voorbij de 67 jaar. Ze gaan dan niet naar kantoor om “uit het raam te staren” maar ontmoeten anderen – collega’s, bewoners, bedrijven, bestuurders – op locatie in Werkplaatsen. Het mes snijdt dan aan twee kanten. Het is de moeite waard dit spoor nader te verkennen.
  2. Werkplaatsen worden georganiseerd rond vraagstukken die klein, lokaal en concreet zijn. Dat is de enige manier – zo weten we onderhand – om gevoel te ontwikkelen voor de realiteit. De abstractie wordt verlaten. Dan gaat ervaringskennis stromen. Er bouwt zich weer vakmanschap op. We spreken bij voorkeur over nieuw vakmanschap: niet alleen je vak goed doen, maar je vak goed doen in een gezonde interactie met de dynamische context. Het begrip vakmanschap is breder dan ambachtschap en nieuw vakmanschap past beter bij de vraagstukken van de 21e eeuw.
  3. In Werkplaatsen nodigen we heel bewust verschillende Sferen uit. Waar het ons gelukt is alle Sferen bij elkaar te krijgen binnen de eerste ring, hebben we de vruchten ervan kunnen plukken. Zo leveren praktijkmedewerkers die met hun voeten in de klei staan waardevolle kennis om de stap van theorie naar praktijk te kunnen zetten. De waarde van bestuurder is ook duidelijk. Vaak willen ambtenaren hen op afstand houden, want: “Ze hoeven niet onder de motorkap te kijken,” zo stellen ze. Dat is ook niet nodig. Echter, zo blijkt, het is goed dat ze mensen die wel “onder de motorkap kijken” aan het werk zien. Het geeft hun vertrouwen. Bovendien, ze kunnen extra bestuurlijke en politieke context inbrengen. Mensen uit alle Sferen zijn waardevol en vinden hun waardering als ze echt samenwerken. Niet samen vergaderen of samen overleggen, maar samen wérken.
  4. Een basisreflex van veel mensen bij complexiteit is : “We moeten het vraagstuk integraal benaderen.” Dit hangt samen met het zogenaamde “alles hangt met alles samen” syndroom. Men streeft naar synthese tussen alle werkvelden en disciplines en naar het betrekken van het complete veld van actoren, om alles in ruimtelijke samenhang te plaatsen, voor de korte en de lange termijn. Dit resulteert in omvangrijke integrale modelstudies. Zo ontstaat ingewikkeldheid. In Werkplaatsen draaien we het om. We noemen dit de fundamentele omdraaiing. We maken het klein, lokaal en concreet. Hoe complexer het is, hoe dichter je op de praktijk moet zitten. Sommigen vragen vervolgens: “Ontwijk je dan niet de complexiteit?” Nee, je zoekt deze juist op. De complexiteit zit in de leefwereld, de ingewikkeldheid in de systemen die we inzetten de leefwereld controleerbaar en beheersbaar te maken.

Conclusie

Een Werkplaats is niet ‘gewoon’ een werkvorm. Dat betekent echter niet dat we nu alles met Werkplaatsen moeten gaan benaderen of met werkplaatsachtig werken. Andere werkvormen hebben ook waarde, echter voor de doelen waarvoor zij ontwikkeld zijn. Wil je bijvoorbeeld de missie van een organisatie construeren, dan past dat uitstekend in een workshop waarbij gewerkt wordt met gele briefjes. Wil je een wetenschappelijk debat, dan is een seminar erg geschikt. De werkmethoden sluiten elkaar niet uit, vullen elkaar aan en hebben ook overlap. Gaat het specifiek om de vier constateringen die wij rond complexiteit en ervaringskennis hebben geformuleerd, tsja, dan ken ik geen betere benadering. Ondanks dat, we staan pas aan het begin en hebben nog een lange weg te gaan, waarbij uiteindelijk veel anders wordt.

Govert
Govert
Geboren in Leeuwarden op 8 juni 1958. Opleiding: TU Delft Civiele Techniek en promotie aan Universiteit Twente. Onderwerp: "Omgaan met complexiteit bij integraal waterbeheer." Op 1 juni 2007 heeft hij een eigen bureau opgericht: Geldof c.s. B.V., gevestigd in Tzum. Vanaf voorjaar 2015 is hij raadslid in de gemeente Franekeradeel en op 12 september 2017 is hij gekozen als lijsttrekker van SAM Waadhoeke. Hij zet zich o.a. in voor waardering en versterking van (nieuw) vakmanschap.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *