Onnadenkendheid belangrijkste faalmechanisme

Alternatieve feiten?
29/04/2017
Kringlooplandbouw
13/05/2017
Show all

Onnadenkendheid belangrijkste faalmechanisme

Dijkdoorbraak te Bemmel bij Nijmegen, 21 februari 1799

“Als je weet hoe iets stuk gaat, weet je ook hoe je het heel kunt houden.” Deze karakterisering van de studie Civiele Techniek kregen we als eerstejaarsstudenten aangereikt in september 1980. Krachtig uitgedrukt. Voor elke constructie kun je faalmechanismen benoemen. Een brug  kan breken, uitknikken, kapot trillen en wegzakken en een dijk kan overstromen, doorbreken en afglijden. Hoe beter je de faalmechanismen doorgrondt, hoe slimmer je kunt ontwerpen. We kregen vakken als algemene mechanica, toegepaste mechanica, vloeistofmechanica, grondmechanica, hout, beton en staal. Daarmee wapenden we ons.

Het belang van blijven nadenken

Eén college zal ik nooit vergeten. Voor het doorrekenen van raamconstructies waren er twee methoden: (1) de hoekverdraaiingsmethode en (2) het gebruik van gaapvergelijkingen. Het was in zaal A, vermoed ik. Professor Verruijt keek ons aan en vertelde: “Jullie zijn de laatste groep aan wie we de gaapvergelijkingen doceren.” In ons kielzog werd de Wet tweefasenstructuur (1981) ingevoerd en onze vijfjarige studie teruggebracht naar vier jaar. Daarvoor moest het curriculum worden uitgedund. “De hoekverdraaiingsmethode kun je eenvoudig in een computermodel stoppen,” zo ging hij verder, “en bij de gaapvergelijkingen moet je nadenken.” Vervolgens praatte hij het gehele college-uur vol over het belang van blijven nadenken. Hij waarschuwde ons voor onnadenkendheid en illustreerde hoe eenvoudig iets fout kan gaan. Ik zat op het puntje van mijn stoel.

Tacoma Bridge, 7 november 1940.

Onnadenkendheid

Nu, enkele jaren verder, kom ik tot de conclusie dat van alle bekende faalmechanismen onnadenkendheid de grootste is. Onnadenkendheid definieer ik als: “het klakkeloos stoppen van data in een computermodel om daarna de uitkomsten te geloven.” Het is een grondhouding. Om de veiligheid van de leefomgeving te waarborgen moet je als ingenieur interesse tonen, nieuwsgierig zijn. Je gaat het veld in, praat met collega’s uit verschillende disciplines, probeert het proces van (politieke) besluitvorming te doorgronden en voert een dialoog met omwonenden. Als er gerede twijfel ontstaat over een lokale situatie ga je meten. Ter ondersteuning maak je berekeningen. Nu – en dat is mijn zorg – lijkt het alsof het omgedraaid is. De berekeningen staan centraal en de andere processen ondersteunen deze ‘slechts’. Jan van Bakel stelde ooit: “Vroeger had je veldhydrologen, nu heb je beeldschermhydrologen.” Het gevolg kan zijn dat we straks vele constructies hebben die op papier aan alle eisen voldoen, maar in de werkelijkheid falen.

De ingewikkeldheid ontneemt ons het zicht op de ‘echte’ werkelijkheid.

Vier zorgwekkende trends

Het is onze plicht ervoor te zorgen dat nadenken wordt gestimuleerd. Interesse moet worden geprikkeld. Ieder civieltechnisch project kan aanvoelen als een Sherlock Holmes verhaal… waarin alle signalen worden benut om tot een scherp beeld van de realiteit te komen. Zo leg je de basis voor doelmatig handelen in de leefomgeving. Mensen uit verschillende disciplines delen hiervoor hun kennis. Ieder project is op deze wijze uniek.

Toch zie ik een ontwikkeling in de andere richting. We laten steeds meer gaten vallen en bieden daardoor ruimte voor onnadenkendheid. Ik noem in deze blog vier trends die onze blik op de werkelijkheid vertroebelen:

  1. We zijn praktijkkennis in toenemende mate gaan onderwaarderen. Tijdens onze studie naar het belang van ervaringskennis voor waterbeheer hebben we vele verhalen gehoord van veldmedewerkers. Hun kennis wordt niet of nauwelijks benut. Ze worden onvoldoende serieus genomen.
  2. Het benadrukken van “als je onder de tram komt, moet een ander je werk zo kunnen overnemen.” Dat remt mensen af uniek en onmisbaar te zijn. Dit fenomeen zorgt voor een aftopping van ons nadenken tot aan het niveau van meetbaarheid en reproduceerbaarheid.
  3. Het principe dat vakmensen beoordeeld worden door managers, in functioneringsgesprekken. In de tijd van de klassieke gilden gold het principe dat alleen een goede timmerman kan beoordelen of een timmerman goed is of niet. Dit hebben we verlaten. Gesprekken vinden nu plaats op basis van ‘objectieve’ prestatie-indicatoren.
  4. Door de schaalvergroting worden medewerkers steeds meer in vakjes ingedeeld. Sommigen spreken over eilanden. Vooral ambtenaren hoor je dan ook regelmatig vragen: “ben ik ervan, of ben ik niet van?” Dit werkt tunnelvisie in de hand. Wie heeft nog overzicht?

Een cultuur van onnadenkendheid?

Als we niet oppassen, krijgen we een cultuur van onnadenkendheid. Onnadenkendheid versterkt namelijk onnadenkendheid. Ik schets een schrikbeeld. Als er minder vanuit interesse wordt gewerkt en meer vanuit de routine, trekt dat mensen aan die daar geen moeite mee hebben. Het werkveld holt zichzelf daarmee uit. Het wordt dan moeilijker goede mensen aan te trekken en te binden. Blabla-mensen zonder inhoud maken vervolgens de dienst uit. Omdat veel fout gaat, neemt de juristendichtheid in het werkveld toe. Er gaat meer energie zitten in het indekken tegen fouten dan in ‘gewoon’ je werk goed doen. Gelukkig kom ik veel mensen tegen – ook jongeren – die zich hiertegen verzetten.

De kennisparadox

Aan de basis van mogelijke onnadenkendheid ligt de opvatting die bij velen leeft dat er kennisontwikkelaars zijn en kennisgebruikers. Alsof de één iets maakt en de ander het moet gaan gebruiken. Dat geldt voor tools, maar niet voor kennis. Iedereen ontwikkelt kennis. Alexander Rinnooy Kan verwoordde dat als volgt: “Kennis is de enige grondstof die toeneemt bij uitputtend gebruik.” Ontwikkelen is de tegenhanger van ingewikkeld maken, oftewel inwikkelen. Kennis laat mensen begrijpen waar ze mee bezig zijn. Je krijgt meer zicht op de realiteit en daardoor wordt het eenvoudiger de goede dingen te doen. Een belangrijk gegeven daarbij is dat kennis slechts deels expliciet te maken is. De meeste kennis is ongrijpbaar, vrijwel niet te managen. In het laatste geval spreken we over impliciete kennis, ook wel ervaringskennis genoemd.

We ontwikkelen door de zogenaamde kennisparadox op spanning te zetten. Deze heeft twee takken die met elkaar strijdig lijken:

  1. Maak kennis zoveel mogelijk expliciet, want daardoor ontstaan transparantie en controleerbaarheid;
  2. Maak kennis zoveel mogelijk impliciet, want daardoor zetten we de stap van weten naar begrijpen en van kennen naar kunnen.

Interesse en nieuwsgierigheid verdwijnen als we sturen op slechts één van deze takken. In Werkplaatsen zetten we de beide takken op spanning door mensen vanuit verschillende werkvelden (Sferen) met elkaar te laten samenwerken aan een klein, lokaal en concreet vraagstuk. De praktijk is daarbij het vertrekpunt, en niet alleen het eindpunt. We maken uitputtend gebruik van kennis. De inzet is: versterking van de reflexiviteit: “Waar zij wij nu eigenlijk helemaal mee bezig?” Dat gaat regelrecht in tegen de vier hiervoor geschetste zorgwekkende trends. We denken dat met werkplaatsachtig werken de kans op onnadenkendheid wordt verkleind. We hebben onderhand ook wel aanwijzingen dat dit daadwerkelijk het geval is.

Onderwijs, zorg, … en politieke vernieuwing

Het belang van nadenken – en dus reflexiviteit – is niet alleen een factor van belang voor civieltechnici, maar voor iedereen die wijsheid nodig heeft om de goede dingen te doen en dingen goed te doen. Iedereen dus. Als je als politicus op de markt staat en spreekt met mensen, dan hoor je de verhalen van onder andere bouwvakkers, ondernemers, leraren, zorgverleners, ambtenaren en vrijwilligers. Je neemt waar dat in veel organisaties (1) nadenken eerder wordt ontmoedigd dan gestimuleerd, ook al wordt iedereen regelmatig op cursus gestuurd en (2) onnadenkenden het leven zuur maken van hen die echt iets willen bewerkstelligen.

Het vraagstuk is generiek, maar kan niet generiek worden opgelost. Waar het wel generiek door de politiek wordt aangepakt, zie je het ook gruwelijk de verkeerde kant uitgaan, zoals bij Wet VTH (vergunningverlening, toezicht en handhaving). Er worden 26 deskundigheidsgebieden onderscheiden en per deskundigheidsgebied worden eisen gesteld aan het opleidingsniveau. Kortom, de hiervoor genoemde vier zorgwekkende trends worden versterkt in plaats van omgebogen. De politiek heeft wel een rol, maar dat vraagt om politieke vernieuwing, gericht op het specifieke, het unieke en de diversiteit. Dat is complex, maar o zo de moeite waard, want onnadenkendheid in de politiek is het belangrijkste faalmechanisme voor onze democratie.

Govert
Govert
Geboren in Leeuwarden op 8 juni 1958. Opleiding: TU Delft Civiele Techniek en promotie aan Universiteit Twente. Onderwerp: "Omgaan met complexiteit bij integraal waterbeheer." Op 1 juni 2007 heeft hij een eigen bureau opgericht: Geldof c.s. B.V., gevestigd in Tzum. Vanaf voorjaar 2015 is hij raadslid in de gemeente Franekeradeel en op 12 september 2017 is hij gekozen als lijsttrekker van SAM Waadhoeke. Hij zet zich o.a. in voor waardering en versterking van (nieuw) vakmanschap.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *